-
1 ik train altijd op maandag
ik train altijd op maandagVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > ik train altijd op maandag
-
2 glijbaanhouder
• train cartridge -
3 trainen
♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 [sport] train2 [oefenen in een vaardigheid, ontwikkelen] train♦voorbeelden:1 een elftal trainen • train/coach a teamzich trainen in iets • train for something -
4 trein
1 train♦voorbeelden:iemand naar de trein brengen • take someone to the stationde trein naar/uit Londen/de stad • 〈 Brits-Engels ook〉 the up/down trainper trein reizen • go by trainde trein van elf uur • the eleven o'clock trainiemand van de trein halen • meet someone at the stationdat loopt als een trein • it's going like a bomb -
5 bekwamen
1 qualify ⇒ 〈 wederkerend werkwoord ook〉 train (oneself), study, 〈 overgankelijk werkwoord ook〉 train, 〈 overgankelijk werkwoord ook〉 teach♦voorbeelden:zich in iets bekwamen • train (oneself) for something -
6 oefenen
1 [trainen, repeteren] train, coach ⇒ 〈 zich bekwamen〉 practise, rehearse 〈 rol〉, 〈 exerceren〉 drill2 [met betrekking tot deugd/plicht] exercise♦voorbeelden:kinderen oefenen in het lezen • train/coach children in reading♦voorbeelden:op de piano oefenen • practise (on) the pianooefenen voor een voorstelling • rehearse for a performance -
7 sporen
1 [in een zelfde spoor lopen] track2 [per spoor reizen] go/travel by rail/train♦voorbeelden:1 〈 figuurlijk〉 het beleid spoort niet met de maatschappelijke ontwikkelingen • the policy doesn't mesh with social developments2 het is maar 20 minuten sporen • it's only 20 minutes by rail/trainnaar Amsterdam sporen • take the train to Amsterdam -
8 autotrein
n. car train, train on which cars can be transported from station to station -
9 goederentrein
n. freight train, train designed to carry freight (cargo, goods to be shipped) -
10 herscholen
v. retrain, train again; train for a new occupation, teach or learn new job skills -
11 pantsertrein
n. armoured train, armored train -
12 pulstrein
• pulse train• spike train -
13 africhten
-
14 dieseltrein
1 diesel train, diesel-electric (train) -
15 dresseren
1 [met betrekking tot dieren] train♦voorbeelden: -
16 een directe verbinding
een directe verbinding————————een directe verbindingVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > een directe verbinding
-
17 gedachtegang
♦voorbeelden:volgens deze gedachtegang • according to this line of thought/of reasoning/of argument -
18 intercity
-
19 maandag
2 [sterrenkunde] lunar day♦voorbeelden:ik train altijd op maandag • I always train on Mondaysik doe het maandag • I will do it on Monday's maandags • on Mondays, every Monday -
20 met
1 [in gezelschap van] (along) with ⇒ of3 [met betrekking tot deelneming/overeenstemming] with5 [met betrekking tot een wederkerige handeling] with6 [in het bezit van] with7 [met betrekking tot de omstandigheid/gezindheid] with ⇒ by8 [door middel van] with, by ⇒ through, in9 [gelijktijdig met] with, by ⇒ at♦voorbeelden:met (zijn) hoevelen zijn zij? • how many of them are there?ze waren met z'n drieën • there were three of themze kwamen met z'n drieën • three of them camemet deze erbij zijn het er zeven • this one makes sevenmet vijf • plus/and fivetot en met hoofdstuk drie • up to and including chapter threemet wie spreek ik? 〈 aan de telefoon〉 • who am I speaking to?spreken met iemand • speak to someoneeen broodje met ham • a ham rollde man met de hoed • the man with the hat onmet kleren en al dook hij het water in • he dived into the water clothes and allmet dat al • yet for all thatmet de trein van acht uur • by the eight o'clock trainmet een cheque/geld betalen • pay by cheque/(in) cashzijn tijd doorbrengen met luieren • spend one's time lazing aboutik kom met Kerstmis • I'm coming at Christmasmet de klok van twaalven • on the stroke of twelveal met al • altogetherdaar heb je hem weer met zijn knappe kinderen • there he goes again about his handsome children
См. также в других словарях:
train n — train v … English expressions
train — [ trɛ̃ ] n. m. • XIIe; de traîner I ♦ 1 ♦ Vx File de bêtes de somme qui suivent qqn. Train de mulets. ♢ Mod. File de choses traînées ou entraînées. « Un train de péniches derrière un remorqueur » (Vercel). Train de bois de flottage : troncs d… … Encyclopédie Universelle
train — TRAIN. s. m. Alleure. Il se dit principalement des chevaux, & autres bestes de voiture. Le train de ce cheval est doux, est incommode. ce cheval va grand train. il se fait tard, allons bon train, grand train. ce cocher nous a menez beau train. On … Dictionnaire de l'Académie française
Train — Train, n. [F. train, OF. tra[ i]n, trahin; cf. (for some of the senses) F. traine. See {Train}, v.] 1. That which draws along; especially, persuasion, artifice, or enticement; allurement. [Obs.] Now to my charms, and to my wily trains. Milton.… … The Collaborative International Dictionary of English
Train — Train, v. t. [imp. & p. p. {Trained}; p. pr. & vb. n. {Training}.] [OF. trahiner, tra[ i]ner,F. tra[^i]ner, LL. trahinare, trainare, fr. L. trahere to draw. See {Trail}.] [1913 Webster] 1. To draw along; to trail; to drag. [1913 Webster] In… … The Collaborative International Dictionary of English
Train — (engl. und frz. ‚Zug‘) bezeichnet: Train (Niederbayern), einen Ort im Landkreis Kelheim Train (militärisch), einen militärischen Transport mit Pferden Train (Band), eine US amerikanische Alternative Band Train (Geräusch), ein Meeresgeräusch… … Deutsch Wikipedia
Train — Saltar a navegación, búsqueda Train Información personal Origen San Francisco, California, Estados Unidos Estado Activo … Wikipedia Español
train — [trān] n. [ME traine < OFr trahin < trahiner, to draw on < VL * traginare < L trahere, to pull, DRAW] 1. something that hangs down and drags behind; specif., a) a part of a dress, skirt, etc. that trails b) the tail feathers of a bird … English World dictionary
Train — 〈[ trɛ̃:] österr. a. [trɛ:n] m. 6〉 = Tross (1) [frz. <lat. trahere „ziehen, schleppen“] * * * Train [trɛ̃; französisch, zu traîner »(nach)ziehen«] der, s/ s, Militärwesen: von Friedrich II … Universal-Lexikon
train — ► VERB 1) teach (a person or animal) a particular skill or type of behaviour through regular practice and instruction. 2) be taught in such a way. 3) make or become physically fit through a course of exercise and diet. 4) (train on) point… … English terms dictionary
Train — Train, v. i. 1. To be drilled in military exercises; to do duty in a military company. [1913 Webster] 2. To prepare by exercise, diet, instruction, etc., for any physical contest; as, to train for a boat race. [1913 Webster] … The Collaborative International Dictionary of English